> Downloads > Opslagtanks en bodemsanering

Deze brochure bevat naast algemene informatie over het bodemsaneringsdecreet en het uitvoeringsbesluit Vlaams Reglement betreffende Bodemsanering (Vlarebo), voornamelijk inlichtingen over opslagtanks met huisbrandolie en een aantal praktische tips om bodemverontreiniging te voorkomen.

Deze tekst is met de grootste zorg samengesteld. Omwille van de leesbaarheid worden echter niet alle bijzonderheden en uitzonderingsgevallen vermeld. Enkel de teksten van het officiële decreet en besluit van de Vlaamse regering hebben rechtskracht.

1. Achtergrondinformatie over minerale olie
2. De wetgeving in verband met opslagtanks
3. Toelichting bij het bodemsaneringsdecreet
3.1 Inleiding
3.2 Basisbegrippen
3.3 Onderzoeksverplichtingen
3.3.1 Periodieke onderzoeksplicht
3.3.2 Stopzetting van een activiteit of sluiting van een inrichting
3.3.3 Overdracht perceel met een risicoactiviteit
3.4 Wanneer geldt de saneringplicht?
3.5 Saneringsnoodzaak
3.6 Verloop van de saneringsprocedure
3.7 Saneringsdoelstelling
4. Praktische toepassing bij opslagtanks
4.1 Exploitatiewetgeving
4.1.1 Overvulbeveiliging
4.1.2 Lekdetectiesysteem
4.1.3 Lekdetectieproeven
4.1.4 Inkuiping
4.2 Bodemsaneringsdecreet
5. Praktische tips
6. PREMAZ
7. Verzekering
8. Nuttige adressen

1. Achtergrondinformatie over minerale olie

Minerale olie is een verzamelnaam voor diverse olieproducten zoals benzine, diesel, huisbrandolie, motorolie,… . Elk van deze aparte gecommercialiseerde producten hebben specifieke eigenschappen waardoor ze meer of minder toxisch zijn, zich al dan niet snel verspreiden, enz. Vandaar dan ook de noodzaak om na te gaan welke stof aanleiding geeft tot bodemverontreiniging en welke consequenties daaraan verbonden zijn.

Huisbrandolie heeft een vlampunt dat zich tussen 55 °C en 100 °C situeert. Het risico op ontploffing of zelfontbranding is dus minimaal tot onbestaand. De samenstelling bestaat hoofdzakelijk uit alifaten met een koolstofketenlengte die tussen C10 en C18 ligt. Ze zijn weinig tot niet oplosbaar in water. Doordat hun viscositeit tussen 2 en 4 cST ligt, is de migratiesnelheid in de onverzadigde zone van de bodem traag. Indien een voldoende hoeveelheid olie vrijkomt, dan vormt zich een drijflaag op het grondwater. Na verloop van tijd zal een beperkte fractie zich vermengen met het grondwater. Het is evident dat een snel ingrijpen dit voorkomt en een grondwatersanering vermijdt of althans sterk reduceert.

2. De wetgeving in verband met opslagtanks

Het juridisch kader inzake de opslag van koolwaterstoffen is op te splitsen in een gedeelte dat handelt over exploitatie en een ander deel dat voornamelijk betrekking heeft op de bodemimpact en de sanering.

De wetgeving met betrekking tot de exploitatie van een tank of installatie, is vastgelegd in de milieuvergunningswetgeving en behoort tot de bevoegdheden van Aminal.
Een milieuvergunning voor klasse 2 tanks (20.000 tot 500.000 l) dient aangevraagd te worden bij het College van Burgemeester en schepenen; deze voor klasse 1 tanks (meer dan 500.000 l) bij de Bestendige Deputatie van de Provincie. Voor de overige tanks is er een meldingsplicht bij de gemeente.

De wetgeving die verband houdt met bodemsanering is beschreven in het Decreet betreffende bodemsanering. Dit is de bevoegdheid van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM).

Een aantal nuttige websites zijn : www.mina.vlaanderen.be , www.ondernemen.vlaanderen.be , www.ovam.be , www.informazout.be, www.premaz.be, www.epa.gov/oust

3. Toelichting bij het bodemsaneringsdecreet

3.1 Inleiding

In 1981 werd het Decreet betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen goedgekeurd. Naar aanleiding hiervan werd de OVAM opgericht. Dit decreet spitste zich voornamelijk toe op de afvalproblematiek maar bevatte tevens een summiere bepaling over het saneren van verontreinigde bodems. Het bleek echter geen bruikbaar instrument om een bodemsaneringsbeleid te voeren waardoor in 1995 het Decreet betreffende bodemsanering is afgekondigd.

De OVAM speelt in het bodemsaneringsgebeuren een centrale rol en de dienstenstructuur bestaat uit drie secties :
- sectie bodem
- sectie afval
- sectie logistieke diensten.

Op deze website van de OVAM kan detailinformatie over de wetgeving (Bodemsaneringsdecreet en Vlarebo) gevonden worden. U vindt er eveneens een lijst van bodemsaneringsdeskundigen die door de OVAM erkend zijn.

3.2 Basisbegrippen

Het bodemsaneringsdecreet is een curatief decreet dat als doel heeft de bodemverontreiniging te elimineren. Hieronder worden enkele begrippen verduidelijkt.

  1. Bodem omvat het vaste deel van de aarde met inbegrip van het grondwater en andere bestanddelen en organismen die er zich in bevinden.
  2. Bodemverontreiniging is de aanwezigheid van stoffen (met een nadelige impact) en organismen, veroorzaakt door menselijke activiteiten, op of in de bodem of opstallen, die de kwaliteit van de bodem op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden.
    Een bodemverontreiniging die ontstaan is voor 29/10/1995 (inwerkingtreding van het bodemsaneringsdecreet) is een historische bodemverontreiniging.
    Deze ontstaan na 29/10/1995 is een nieuwe bodemverontreiniging. Bodemverontreiniging tot stand gekomen gedeeltelijk voor 29/10/1995 en gedeeltelijk na 28/10/1995 is een gemengde bodemverontreiniging.
  3. Vaststelling van bodemverontreiniging is een gegeven over de bodemkwaliteit op basis waarvan de OVAM in staat wordt gesteld om maatregelen overeenkomstig het bodemsaneringsdecreet op te leggen of zelf te nemen (vb. lekkage van een tank of leiding, overvulling van een tank of tankbreuk met bodemverontreiniging tot gevolg).
  4. Bodemsaneringsnorm (zie hoofdstuk III van het bodemsaneringsdecreet) is een niveau van bodemverontreiniging waarbij bij overschrijding ervan ernstige nadelige effecten kunnen optreden voor de mens of het milieu, gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die ze vervult.
  5. Risico- of bodembedreigende activiteiten zijn activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken en die voorkomen op de lijst van bijlage 1 van het Vlarebo.
  6. Een erkend bodemsaneringsdeskundige is een onafhankelijk expert, erkend door de Vlaams minister van leefmilieu en landbouw die onderzoeksdaden (type 1 en 2 deskundigen) en saneringsmaatregelen (type 2 deskundigen) mag opstellen en opvolgen.

3.3 Onderzoeksverplichtingen

De inventarisatie van gronden gebeurt via een oriënterend bodemonderzoek dat wordt uitgevoerd door een erkend bodemsaneringdeskundige. Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op het volledige kadastraal perceel. Deze verplichting tot de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek op een kadastraal perceel waarop een risicoactiviteit aanwezig is, geldt in volgende gevallen.

3.3.1 Periodieke onderzoeksplicht

In het Vlarebo werd, zoals reeds hoger vermeld, in bijlage 1 een lijst van inrichtingen en activiteiten opgenomen die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken (zogenoemde risicoactiviteiten). Elk van deze risicoactiviteiten wordt onderverdeeld in een rubriek die overeenstemt met de Vlarem-rubriek in de milieuvergunning. Elke rubriek wordt vervolgens gelinkt aan de categorie O, A, B, C.

In deze lijst van risicoactiviteiten wordt onder meer de opslag van producten zoals benzine, petroleum, stookolie, diesel en gasolie opgenomen. Afhankelijk van de hoeveelheid van opslag van deze producten, valt deze onder een andere categorie.

Zo behoren een bovengrondse opslag van :
- meer dan 30.000 l benzine
- meer dan 100.000 l petroleum
- meer dan 500.000 l stookolie, diesel, gasolie
tot de categorie B. Dit wil zeggen dat voor 31 december 2001, en vervolgens periodiek om de 10 jaar, een periodiek oriënterend bodemonderzoek bij de OVAM moet worden ingediend.

De ondergrondse opslag van :
- meer dan 500 l tot en met 30.000 l benzine
- meer dan 5.000 l tot en met 100.000 l petroleum
- meer dan 20.000 l tot en met 500.000 l stookolie, diesel, gasolie
vallen onder categorie A, waardoor er voor 31 december 2003, en vervolgens periodiek om de 20 jaar, een eerste periodiek oriënterend bodemonderzoek bij de OVAM dient te worden ingediend.

De categorie C omvat de activiteiten of inrichtingen die reeds voor 31 december 1999 een eerste periodiek oriënterend bodemonderzoek bij de OVAM moesten indienen, en vervolgens om de 5 jaar. Een voorbeeld hiervan is de ondergrondse opslag van meer dan 500.000 l stookolie, diesel of gasolie.

In de gecoördineerde versie van het VLAREBO kan in bijlage 1 de volledige VLAREBO-lijst geraadpleegd worden.

3.3.2 Stopzetting van een activiteit of sluiting van een inrichting

Bij de stopzetting van de exploitatie van een Vlarebo-activiteit of sluiting van een inrichting op een kadastraal perceel, dient eveneens een oriënterend bodemonderzoek te worden uitgevoerd, onder leiding van een erkend bodemsaneringsdeskundige. Dit geldt voor alle categorieën (O, A, B, C).

3.3.3 Overdracht perceel met een risicoactiviteit

Voorafgaand aan de overdracht van een perceel waarop momenteel of in het verleden een Vlarebo-activiteit werd uitgeoefend of een inrichting gevestigd was, dient een oriënterend bodemonderzoek te worden uitgevoerd, onder leiding van een erkend bodemsaneringsdeskundige. Deze verplichting is eveneens van toepassing op alle categorieën (O, A, B, C).

Een oriënterend bodemonderzoek dient binnen de dertig dagen na afsluiting ervan aan de OVAM worden meegedeeld.

Opmerking :
Hierbij dient te worden opgemerkt dat door de wijziging van het Vlarebo, dat op 12 oktober 2001 bij Besluit van de Vlaamse Regering werd goedgekeurd, gronden ook op basis van een vaststelling van bodemverontreiniging geïnventariseerd kunnen worden.

3.4 Wanneer geldt de saneringplicht?
  1. Afhankelijk van het ontstaan van de bodemverontreiniging wordt een onderscheid gemaakt tussen :
    Nieuwe bodemverontreiniging (vanaf 29/10/1995) : bij overschrijding of dreiging tot overschrijding van de bodemsaneringsnorm geldt een zelfstandige saneringsplicht, dus zonder aanmaning van de OVAM dienen de nodige maatregelen genomen te worden.
    Historische bodemverontreiniging (voor 29/10/1995) : indien de bodemverontreiniging mogelijks een risico vormt (een zogenaamde ernstige aanwijzing voor een ernstige bedreiging), is sanering verplicht na aanmaning door OVAM.
    Gemengde bodemverontreiniging : hier gelden dezelfde regels als voor elk van beide soorten verontreiniging voor zover een onderscheid kan gemaakt worden. Indien dit niet mogelijk is gelden de verplichtingen van een nieuwe bodemverontreiniging.
  2. Let op! Ernstige gevallen van bodemverontreiniging vereisen spoedingrepen zoals het opstellen en uitvoeren van veiligheids- of voorzorgsmaatregelen.
  3. Steeds geldt ook het normale zorgvuldigheidsbeginsel dat inhoudt dat acties ter voorkoming en beperking van bodemverontreiniging worden genomen.
  4. De saneringsplichtige is in de regel de exploitant. Indien er geen exploitant is, valt de saneringsplicht op de eigenaar of de feitelijke gebruiker.
  5. De saneringsplichtige kan desgevallend de kosten verhalen op de saneringsaansprakelijke, zijnde diegene die door emissie de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt.

3.5 Saneringsnoodzaak

Indien er een risicoactiviteit is, dan volgt dit uit de resultaten van het oriënterend bodemonderzoek. Saneringsplicht is er in alle omstandigheden wanneer er een nieuwe bodemverontreiniging optreedt, dus ook indien er geen risicoactiviteit is (b.v. tank van 10.000 l die lek slaat of overvuld wordt).

3.6 Verloop van de saneringsprocedure
  1. Een beschrijvend bodemonderzoek geeft een duidelijk beeld (oorsprong, omvang, aard, ernst) van de verontreinigingssituatie. Het verspreidingsrisico, alsook het gevaar op blootstelling eraan van mens, dier en plant en grond- en oppervlaktewater wordt bepaald. Hier kan alsnog blijken dat het signaal uit het oriënterend bodemonderzoek onvoldoende ernstig is waardoor er geen verder maatregelen nodig zijn.
  2. In het bodemsaneringsproject wordt de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd, omschreven.
  3. Bodemsaneringswerken omvatten de uitvoering van de in het bodemsaneringsproject beschreven werken. Na afloop wordt door OVAM een eindverklaring afgeleverd.
  4. Nazorg : soms is een opvolging of controle van de situatie na het bodemsaneringsproject nodig, v.b. een tijdelijke controle van de kwaliteit van het grondwater.

3.7 Saneringsdoelstelling

Het streefdoel is het bereiken van de achtergrondwaarden. De achtergrondwaarde is de concentratie van een verontreinigende stof die als normale achtergrond in niet-verontreinigde bodems met vergelijkbare bodemkenmerken wordt aangetroffen. Van dit saneringsobjectief kan evenwel afgeweken worden. De voorgenomen saneringsmaatregelen mogen geen onredelijk hoge kosten met zich meebrengen ten opzichte van het bekomen resultaat (het zogenaamde BATNEEC-principe).

4. Praktische toepassing bij opslagtanks

4.1 Exploitatiewetgeving

In de wetgeving is voorzien dat opslagtanks uitgerust moeten zijn met een aantal systemen. Hieronder wordt een korte beschrijving gegeven.

4.1.1 Overvulbeveiliging

Een waarschuwingssysteem geeft tijdens het vullen van het reservoir een hoorbaar signaal. Wanneer dit signaal stopt is de tank voor 95% gevuld. Nadeel van dit systeem is dat het stopzetten van de levering een snel ingrijpen van de leverancier vereist. Dit systeem is eveneens gevoelig voor verontreiniging waardoor het snel in onbruik kan raken.

Een alternatief beveiligingssysteem sluit de brandstoftoevoer automatisch af als de tank voor 98% gevuld is.

4.1.2 Lekdetectiesysteem

Dergelijk systeem wordt op een tank aangebracht en laat toe een lek in een vroeg stadium te detecteren.

4.1.3 Lekdetectieproeven

Een tank dient aan een periodieke controle onderworpen te worden. Deze dient te gebeuren door een erkend technicus die in het bezit is van een erkenningsbewijs. Dit bewijs bestaat uit de letters 'SV' gevolgd door 5 cijfers. Een lijst van erkende technici kunt u opvragen bij de gemeente of is te raadplegen op de website http://www.mina.vlaanderen.be.
Na het uitvoeren van de controle krijgt de tank een groene of rode dop. Een groene dop betekent dat de tank aan alle vooropgestelde voorschriften voldoet. Een rode dop wijst erop dat de tank niet meer bijgevuld mag worden. De exploitant dient bijgevolg alle nodige maatregelen te nemen om de tank, overeenkomstig het verslag van de erkende technicus in orde te brengen.

Indien de tank niet meer hersteld kan worden, dient deze buiten gebruik gesteld te worden. De tank dient geledigd, gereinigd en indien mogelijk verwijderd te worden. Een tank die niet meer gebruikt wordt, dient binnen de drie jaar verwijderd te worden.
In het ander geval wordt de tank gevuld met zand, schuim of enig ander inert materiaal. Deze maatregelen dienen te gebeuren onder het toezicht van een erkend deskundige.

4.1.4 Inkuiping

Elk reservoir dient in een inkuiping geplaatst te worden, behalve een dubbelwandig reservoir dat uitgerust is met een permanent lekdetectiesysteem.

4.2 Bodemsaneringsdecreet

Huisbrandolie valt onder rubriek 17.3.6 van bijlage 1 van het Vlarebo.
Nagaan onderzoeksverplichtingen :
Indien de totale opslagcapaciteit op het kadastrale perceel niet meer dan 20.000 l bedraagt (m.a.w. is er geen risicoactiviteit), dan is er geen onderzoeksplicht. Let wel, de afwezigheid van een onderzoeksplicht, betekent niet dat er in geval van bodemverontreiniging ook geen saneringsplicht is (zie ook punt 3.4)

Indien er wel een totale ondergrondse opslag is van meer dan 20.000 l is er wel een risicoactiviteit en dient er een eerste oriënterend bodemonderzoek voor 31 december 2003 worden uitgevoerd. Nadien dient dit te gebeuren iedere 10 jaar. Er is eveneens een onderzoeksplicht bij de overdracht van de grond en bij de stopzetting van een risicoactiviteit.

5. Praktische tips

Hieronder vindt u een aantal tips die kunnen helpen om bodemverontreiniging door lekke tanks te vermijden.

  1. Wees proactief en voorkom bodemverontreiniging!
    Inventariseer bestaande en reeds buiten gebruik gestelde tanks (inhoud, ondergronds/bovengronds, ouderdom, eigenschappen van de tank, risico op lekkage in gebouwen/kelders).
    Maak eveneens een planning op teneinde toekomstige problemen te vermijden.
  2. Bereid je voor op een schadegeval.
    Maak vooraf afspraken met een erkende bodemsaneringsdeskundige en aannemer.
    Stel een noodplan op zodat op het moment van schade, alle betrokken weten wat hen te doen staat.
  3. Koppel aan de buitengebruikstelling van een tank ook een bodemonderzoek. Indien hierbij bodemverontreiniging wordt gedetecteerd, kan er gepast gereageerd worden.
  4. Ingeval van mazoutverlies, laat onmiddellijk de tank ledigen en cleanen.
  5. Verwijder indien technisch haalbaar steeds de tank.
  6. Kies zo mogelijk, voor een visueel controleerbare tank, indien u een nieuwe tank dient te installeren. Bij de installatie van een nieuwe tank dient een getuigschrift van de tankconstructeur afgeleverd te worden, waaruit blijkt dat ze aan de wettelijke normen voldoet.
  7. Zorg ervoor dat een controleprocedure bestaat bij leveringen. Dit houdt bijvoorbeeld in :
    - zich vergewissen van de tankinhoud
    - inschatting van abnormaal gebruik : boekhouding
    - correcte aanduiding van de vulpunten.
  8. Let erop dat peilputten voor grondwatercontrole ontoegankelijk zijn voor onbevoegden.
  9. Controleer bestaande peilputten regelmatig met een bailer. Een kleine oliefilm in het grondwater wordt zo snel gedetecteerd.
  10. De afdekplaat van een toezichtsput mag nooit het laagste punt in de omgeving zijn.
  11. Contacten bij de OVAM :
    - voor oriënterende of beschrijvende bodemonderzoeken : Dienst onderzoeken.
    - voor een vaststelling van bodemverontreiniging : Dienst register-cel schadegevallen.

6. PREMAZ

Het premaz-project (PREventie-MAZout) is opgesteld door een vennootschap bestaande uit de oliesector, verzekeringsmaatschappijen, waterwinningsmaatschappijen en de overheid. Het doel van dit project is de solidarisering van de kosten die verbonden zijn aan milieurisico's van lekkende of risicovolle mazouttanks. Dit project heeft reeds een testfase aan de hand van een aantal proefprojecten doorlopen.
Gedetailleerde informatie is terug te vinden op de website www.premaz.be.

7. Verzekering

Wanneer een schadegeval met een stookolietank zich voordoet is het belangrijk te weten in hoeverre u hiervoor verzekerd bent. Mogelijks dekt uw brandverzekering of de familiale verzekering de opgelopen schade aan uw terrein en/of dat van derden.

Een snel optreden houdt ook in dat vertragingen welke het gevolg zijn van verzekeringstechnische procedures of aanslepende verificaties strikt te vermijden zijn. Zij zijn tevens in strijd met de Verzekeringswet (Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst). Hierin wordt gesteld dat de verzekerde alle redelijke maatregelen moet nemen om de gevolgen van het schadegeval te voorkomen en te beperken.

8. Nuttige adressen

AMINAL-afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid
Graaf De Ferrarisgebouw, 3de verd.
Koning Albert II-laan 20
1000 Brussel
tel 02/553.80.57
www.mina.vlaanderen.be

INFORMAZOUT vzw
Dauwstraat 12
1070 Brussel
tel. 02/558.52.20 of 078/152.150
www.informazout.be


Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM)
Stationsstraat 110
2800 Mechelen

Tel : 015/284.284
Fax : 015/203.275

De Vlaamse Infolijn (Algemene informatie Vlaamse Overheid) : 0800/3.02.01
Algemene informatie Vlaamse Overheid) : 0800/3.02.01